LEZING OLDENZAAL
Lecture about Oldenzaal and his inhabitant, which I gave on 15 November 2005, is only in Dutch.
‘Leer de Oldenzaler kennen’.
Precies twee jaar geleden was ik hier te gast in verband met een project dat ik voor een organisatie genaamd ‘Proeftuin Twente’ deed. Een organisatie die zich bezig hield met de toekomstige planologie van Twente. Het was een groot project, waarbij de vraag centraal stond: ‘Wat is het specifieke karakter van Oldenzaal en hoe kan dit een rol spelen in de toekomst van Twente?’ Na wat e-mails over en weer bleek dat de organisatie wilde dat ik, als kunstenaar, de identiteit van de gemeente Oldenzaal zou onderzoeken en zou vastleggen in een presentatie of kunstwerk. Bij de eerste voorbespreking bleek echter, dat er op verzoek van de gemeente Oldenzaal, nog een thema bovenop zou komen. De gemeente Oldenzaal wilde dat ik mij bij mijn onderzoek vooral zou richten op: ‘de cultuurhistorische betekenis van Oldenzaal als knooppunt van internationale verbinding’.
Vandaag ben ik terug omdat mij is gevraagd een lezing te geven met als thema: ‘Leer de Oldenzaler kennen’. Toen ik echter een paar weken geleden vroeg wat er nu precies van mij werd verwacht kreeg ik 19 stellingen en een affiche toegestuurd. Op het affiche las ik mijn echte opdracht. Er stond: ‘Twee jaar na dato trekt zij een vergelijking tussen de Oldenzaler en andere wereldburgers.’
Wat heeft die Oldenzaler toch? vroeg ik mij af. Want het was de tweede keer dat mij werd gevraagd een verbinding te leggen tussen Oldenzaal en de wereld daarbuiten.
Ik moet u iets bekennen. Ik geef nooit lezingen. Ik ben niet zo van theorieën en meningen verkondingen waar een zaal met mensen naar moet luisteren. Ik lees wel eens voor uit eigen werk, maar verder ben ik gewoon een kunstenaar die kunstjes doet.
Wel gaat aan bijna al mijn werk een grondig onderzoek vooraf. Zo’n onderzoek bestaat meestal uit luisteren en vragen stellen. Tijdens zo’n onderzoeksperiode neem ik alleen maar waar en probeer niet te oordelen. Na het onderzoek trek ik me terug in mijn werkkamer of atelier om het om te vormen tot iets nieuws. En zo ontstaat dan een nieuw product dat ik creëer uit de informatie die ik heb verzameld. Zo schrijf ik boeken en maak voorstellingen of een film. Er ontstaat een zelfstandig en origineel product, want ik voeg er een hele lading fantasie bij en trek me niets meer aan van de oorspronkelijke verhalen of gebeurtenissen.
Toen mij twee jaar geleden werd gevraagd hier een maand onderzoek te doen en daar een presentatie van te maken, zei ik: ‘Ik kan – binnen één maand – onmogelijk een onderzoek doen én een presentatie maken, daar heb ik veel meer tijd voor nodig.’ Ik heb toen voorgesteld dagelijks een column voor de Tubantia te schrijven, waar mensen op konden reageren. Op die manier kwamen het onderzoek en de presentatie samen. Al die columns zouden de laatste dag van mijn verblijf in gebundelde vorm verschijnen en ik zou, na een maand elke dag mensen te hebben gesproken, heel veel gelopen en gefietst en elke nacht een column te hebben geschreven, klaar zijn met het project. Dacht ik...
Tot ik in mei van dit jaar opeens de vraag kreeg voorgelegd een lezing te komen geven. Ik plan nooit erg lang vooruit, en leg me absoluut niet vast als het maar voor één avond is. Maar iets in mij zei dat ik dit moest doen. Was het omdat ik nooit mijn persoonlijke mening over Oldenzaal en de Oldenzalers had gegeven of had ook ik stiekem heimwee naar de Plechelmus? Ik wist het niet. Maar ik sta hier voor u en zal proberen te doen wat mij is gevraagd: een vergelijking trekken tussen de Oldenzaler en andere wereldburgers.
Twee jaar geleden was het eerste wat ik deed, het kopen van de plattegrond van Oldenzaal en zelfs enkele topografische kaarten. Ik bestudeerde ze voordat ik ooit een stap op Oldenzaalse bodem had gezet. Kijkend naar de kaart leerde ik veel dingen. Ik zag dat er een klein oud centrum was met erg veel parkeerplaatsen eromheen. Dat betekende waarschijnlijk dat er veel gebouwen waren neergehaald. Ik zag een rondweg die niet rond was, met daarachter een stel wijken. Kijkend naar de kaart concludeerde ik dat de Thy waarschijnlijk in de jaren zeventig was gebouwd, de rechte lijnen gelijk de Bijlmer in Amsterdam. De Essen was gebouwd in de jaren tachtig, want alle straten liepen dood in woonerven, de gruwel van die tijd. Graven Es had op de kaart iets tijdloos dus zou wel in de jaren negentig zijn gebouwd. Ik zag achter in Graven Es een kleine wijk die niet bij de buurt leek te horen. Maar wat me het meeste opviel was de wijk Berghuizen. Ik moest er wel heel erg naast zitten als hier niet de armste mensen zouden wonen, van de rest gescheiden door industrie en spoorlijn. Verder zag ik dat Oldenzaal met zijn bebouwing bijna zijn gemeentegrenzen had bereikt. Hoewel ik dus nog niets wist trok ik conclusies en die kleurden mijn beeld. Vorige week ging ik op zoek naar de kaarten in mijn collectie. Alle steden en streken waar ik kort of lang ben geweest gleden door mijn handen. Steden in landen uit alle werelddelen. Uiteindelijk trok ik er de totaal versleten plattegrond van Oldenzaal uit te voorschijn. Hoe moest ik de Oldenzaler vergelijken met al die mensen die ik had leren kennen over de hele wereld?
In mijn eerste column, 1 nov 2003, schreef ik dat ik, op het moment dat ik het verzoek kreeg voor het project, in Bombay aan het werk was en nog nooit in Oldenzaal was geweest en zelfs niet wist waar het lag. Ik schreef: ‘Buiten mijn huis klonken die dag de toeterende riksja’s opeens harder. Twente was meer dan duizenden mijlen ver...’ Ik zocht Oldenzaal op op het internet terwijl ik uit mijn raam keek naar een bedelend kind dat zich over straat voortsleepte omdat het geen benen had. Naar de koe die rustig voortkuierde tussen de eindeloze stroom toeterend verkeer. Naar de moeder die haar baby stond te wassen in het open riool. Ik las:
Oldenzaal heeft een mooi, compact en veelzijdig centrum met meerdere winkelstraten. U vindt er twee grote overdekte winkelcentra én volop parkeergelegenheid. Oldenzaal als winkelstad is knus, overzichtelijk, vriendelijk en tegelijk ook heel compleet.
In diezelfde column trok ik dat ‘overzichtelijke’ en ‘complete’ van Oldenzaal in twijfel en was de toon gezet. Later hoorde ik dat mij arrogant gedrag werd verweten en dat Oldenzaal helemaal geen behoefte had aan mijn onderzoek. Maar, zoals ik u al heb gezegd, ik deed het onderzoek niet voor Oldenzaal maar voor de planologen. Ik was slechts een buitenstaander en had me voorgenomen me zo open mogelijk te laten verrassen.
Vanaf het begin van mijn project had ik in de krant duidelijk gemaakt dat elke reactie, door middel van e-mail, welkom was, en de eerste die ik kreeg was van een ándere buitenstaander. Een buitenlander zelfs. Zij, laat ik haar Laurensia noemen, schreef me: ‘Looking forward to read what you think about "our" lovely little city.’ Het woord ‘our’ stond tussen duidelijke aanhalingstekens. Deed zij dat omdat ze zich geen deel voelde van de gemeenschap of had dat een andere reden? In Bombay, waar ik de afgelopen jaren veel heb gewerkt en waar ik veel onderzoek heb gedaan, voelde ik me ook geen deel van de gemeenschap. Dat was logisch. Ik sprak geen Hindi, ik was zeker een kop groter dan iedereen en mijn haar was ‘blond’ vergeleken bij dat van de mensen om mij heen. Maar toen ik de vrouw die mij de mail had gestuurd bezocht, bleek ze echt blond te zijn en woonde zij met haar geboren en getogen Oldenzaalse echtgenoot in een mooi huis in de Essen. Ik probeerde te bedenken met wie van de mensen die ik ooit had ontmoet deze Oldenzaalse vrouw de meeste overeenkomsten vertoonde.
Ik dacht aan Liliandr, een vrouw die ik ooit in een krottenwijk in Bombay had geïnterviewd. Zij was ook getrouwd met een geboren en getogen inwoner van de stad. Ook zij had drie kinderen, van wie er een ziek was. Ook zij kwam van ver, namelijk Nepal, en had de taal moeten leren. Ook zij was knap en mooi, met haar gouden ringen door haar neus en oren. Beide gesprekken gingen over deel worden van een nieuwe gemeenschap. Het verschil was dat Liliandr in ons gesprek nooit vertelde dat het moeilijk was deel te worden van haar gemeenschap. Samen met de andere vrouwen zorgde zij ervoor dat hun huizen niet langzaam de heuvel afschoven, haalde ze water bij een pomp zeker vijfhonderd meter lopen van haar huis en waste zij met hen hun kleren in grote plastic bakken. Zij vertelde mij niet dat Bombayers de kat uit de boom keken en lange tenen hadden zoals Laurensia me vertelde over de Oldenzalers. Ook vertelde Laurensia me, dat je als je in Oldenzaal woont beter je boodschappen ín Oldenzaal kunt doen want dat het niet gewaardeerd wordt als je daarvoor naar Almelo of Enschede gaat. En dat ze dat dus deed, ondanks dat het in Oldenzaal veel duurder was. Ze deed hard haar best deel te zijn en te blijven van de gemeenschap.
Dat het moeilijk is deel te worden van de Oldenzaalse gemeenschap bleek keer op keer weer uit de e-mails die ik kreeg als reactie op mijn columns.
Iemand schreef me: Doe jezelf en ons een plezier en blijf weg. Hier zit niemand op te wachten.
Een ander schreef: De tip om erbij te horen is, zo snel mogelijk meedoen met de roddel en achterklap.
Ook kreeg ik zeer schrijnende brieven, voornamelijk van import-vrouwen. Een schreef me: Het merendeel van de kennissen en familie van mijn man praat eigenlijk gewoon niet tegen me. Ik zit erbij, maar dat is dan ook alles.
Deze zin deed me denken aan Tokio. Twintig jaar geleden woonde ik bijna een jaar in deze stad. Ik werkte in een theatergroep, had een huis gehuurd in een gewone wijk en reisde net als iedereen elke dag met de metro naar mijn werk. Ook ik bestond niet in Tokio. Wat ik ook deed, hoe hard ik ook werkte, me aanpaste qua kleding- en voedselgewoonte, Japans leerde en met alles meedeed met de groep, ik hoorde er niet bij. Men keek door mij heen, ik was geen deel van hen en zou het ook nooit worden. Na de vraag ‘een vergelijking tussen de Oldenzaler en andere wereldburgers’ te maken kwam steeds de herinnering aan Tokio terug. De Japanners hadden, in de tijd dat ik er woonde, een sterke behoefte zich te onderscheiden. Er verschenen wekelijks nieuwe boeken op de markt die de Japanner vergeleken met andere mensen op de wereld en de uitkomst was steeds dat de Japanner tot het beste en zuiverste ras behoorde. Een jaar geleden was ik, dit keer voor een maand, terug in Tokio, ik deed onderzoek voor mijn nieuwe roman. Ik kwam erachter dat de gemiddelde Japanner er nog van steeds overtuigd is beter te zijn dan andere wereldburgers. De Japanner kan namelijk meer kleuren zien, beter horen en beter proeven. En daar hebben ze dan allerlei wetenschappelijke bewijzen voor. Ik vroeg me af of de Oldenzaler zichzelf ook beter vindt dan andere mensen. Maar hoewel de Oldenzaler zijn stadje absoluut de beste plek op aard vindt, verdenk ik de Oldenzaler er niet van dat ze zichzelf als een beter ras beschouwen. Een Oldenzaler schreef me destijds:
Tukkers zijn strong-minded en minder flexibel van denken dan westerlingen, ook komen ze wat minder gemakkelijk terug op een ingenomen standpunt. Dat komt door de nabijheid van onze krijgszuchtige Oosterburen. De Tukkers zelf zijn een duidelijk Germaans volksdeel. De landsgrens bestaat in feite niet.
Hier werd dus, voor het stugge, wat afstandelijke karakter van de Tukkers, de ‘schuld’ gegeven aan de Duitsers.
Als ik een nieuw onderzoek begin, maak ik vooraf een verlanglijst van wat ik wil zien en horen, voor de rest laat ik me meedrijven met de gebeurtenissen die zich voordoen. Op mijn verlanglijst stonden het ziekenhuis, een politieman, de vuilophaaldienst, de brandweer, de sociale dienst, een pastoor, kerken, scholen en een bejaardenhuis. Maar ook een coffeeshop, een bordeel, hangplekken en kroegen.
De eerste dag in Oldenzaal, een zaterdag, liep ik rond in het centrum, ik was op zoek naar iets wat je niet zomaar kunt zien – de identiteit van de gemeenschap. Niemand kende me nog en ik kon ongemerkt eindeloos iedereen observeren.
Het eerste wat mij opviel was dat er veel Duits werd gesproken en het ontbreken van mensen met een andere huidskleur. Zoals u weet reis ik veel maar ik woon ook in de Amsterdamse Pijp, een zeer kleurrijke buurt. Aan het begin van de eerste avond zag ik een groepje jongens lopen die duidelijk ergens anders vandaan kwamen. Het bleek Achmed, een bewoner van Berghuizen, met twee vrienden uit Enschede te zijn. Ik wist direct waar Berghuizen lag, want de kaart stond me helder voor de geest. Ik vroeg hun wat ze aan het doen waren. De twee Enschedeërs hadden zin in een rustige avond en waren daarom naar Oldenzaal gekomen. Ik praatte met hen over de Ramadan, die op dat moment bezig was en over de veranderingen na 11 september. Want, zo zeiden ze unaniem, er was veel veranderd sinds die 11e september 2001. Hun frustratie betrof echter niet de Oldenzaler, maar de Nederlandse autochtonen in het algemeen. Ik vroeg dus door. Ik kreeg er niet veel meer uit dan dat Oldenzaal rustig en saai was.
De avond was nog vroeg, ik had honger, nog geen eigen huisje, kon dus niet zelf koken en ging op zoek naar een restaurant. Toen ik binnenkwam merkte ik dat mensen naar me keken. Ik wist niet of dat was omdat ik alleen was of omdat ik een vreemde was. Ik probeerde niet op te vallen, maakte me klein in een hoekje en koos stilletjes wat ik wilde eten. Wachtend op mijn maaltijd observeerde ik de andere klanten, alle mannen hadden, op een na, truien aan. Maar ook dat gaf geen echte informatie over Oldenzaal en haar inwoners. Ik maakte aantekeningen in mijn boekje. Opeens werd ik aangesproken door de eigenaresse. Ze had me herkend, zei ze. Ze wist wie ik was. Zonder dat ik het haar vroeg begon ze te vertellen dat alles buiten het centrum import was en de echte Oldenzaler een Bourgondiër. Ik keek om me heen maar niets deed me in enig opzicht denken aan de rijkelijk gevulde Franse tafels en schranspartijen. Na de maaltijd moest ik terug naar mijn piepkleine hotelkamer met een raam dat een halve meter verwijderd was van een kale stenen muur. De tweede column moest geschreven worden.
De volgende ochtend ging ik naar de kerk. In de korte tijd dat ik er was, was het woord Plechelmus al diverse keren gevallen. Oldenzaal scheen bekend te staan als een katholiek bolwerk in het verder voornamelijk protestante Twente. De kerk was vol, voornamelijk met oude mensen. En behalve dat er een man met een soort hellebaard de priester binnenbracht, week ook hier Oldenzaal niet af van andere katholieke kerken die ik ken.
Mijn eerste column was verschenen en de eerste uitnodigingen kwamen binnen. Voor het merendeel van import. Ik maakte wat afspraken maar voornamelijk zwierf ik die eerste dagen rond. Ik wilde zien en ruiken waar ik was. Wat me het meeste is bijgebleven is dat ik alles zo netjes vond. Goedgeverfde huisjes en piekfijne tuintjes. Er leken geen onregelmatigheden te zijn. Zelfs het woonwagenkamp was het toppunt van burgerlijke netheid. Nou geloof ik niet dat er ook maar één gemeenschap op de wereld is waar het puur vredig en schoon is. Dat is het menselijk ras niet eigen. Als iemand rijk is, is iemand anders arm. Als iemand de baas is, is iemand anders de knecht. Als het bij iemand schoon is dan is het bij iemand anders vies. Omdat ik hier alleen maar netheid aantrof wilde ik weten waar het afval was. Als Oldenzaal een verlopen stadje was geweest, vol zwervers en tuig, dan was ik op zoek gegaan naar de netheid.
De volgende morgen werd ik aangesproken door de dame van het hotel waar ik verbleef. Ze was boos op mij. Ik had namelijk in mijn column geschreven over de muur voor mijn raam. Ze vond dat ik niet negatief maar positief moest schrijven. Waarom moest ik positief schrijven? Voor wie? vroeg ik mij af. Ik schreef toch voor de Oldenzalers zelf, toch niet voor toekomstige toeristen? Ik legde de kritiek naast me neer als de typisch benauwde visie van een horeca-uitbater die toekomstige klandizie zag mislopen. Maar ook deed ze me denken aan de eigenaar van een hotel in Gent, die, toen wij jaren geleden een voorstelling aan het opbouwen waren naast zijn hotel, dacht dat de aanwezigheid van kunstenaars klanten zou afschrikken. Het tegendeel bleek het geval te zijn.
Na een paar dagen wennen en rondsnuffelen vraag ik aan de jongens op de redactie of er hoeren en coffeeshops zijn in Oldenzaal. Ik had tot dan toe niets gevonden wat daarop leek. Hasj was te krijgen, wel wat omslachtiger dan in veel andere steden in Nederland maar het was er, maar hoeren? Nee hoeren, waren er pertinent niet. Ik kon het niet geloven. Een gemeenschap die zich stad noemt en geen hoeren heeft? Waar ik ook kom in de wereld, overal zijn hoeren. In een dorpje in midden Afrika waar ik ooit een tijd verbleef zat de dorpshoer altijd onder de grote boom in het midden van het dorp. Nu verwachtte ik niet dat een Oldenzaalse hoer onder de Plechelmus zou gaan zitten. Het tocht er en het is er koud en ook denk ik dat de pastoor het geen goed idee vindt. Maar een stiekem bordeel, bijvoorbeeld in Berghuizen of Hazewinkel, moest toch tot de mogelijkheden behoren. Veel later tijdens mijn onderzoek, ik was op pad met een Turkse jongen, wees hij ongevraagd naar een huis niet ver van de moskee waar we net waren geweest. Daar woonde een hoer, zei hij. Toen ik doorvroeg bleek dat de vrouw een keer naakt was gesignaleerd toen ze door haar huiskamer liep terwijl de gordijnen nog open waren.
Ik hoor u al denken, daar heb je haar weer met haar Turken, want het is me diverse keren kwalijk genomen dat ik daar aandacht voor had. Maar omdat een zevende deel van de Oldenzaalse bevolking Turks is, verdiende het aandacht.
In mijn zesde column, ik ben er dan een week, plaats ik een lijst, die ik samenstel naar aanleiding van de vele gesprekken en e-mails die ik tot dan toe heb gevoerd of ontvangen. Het is een lijst met adviezen voor nieuwkomers. Ik heb weinig tot geen reacties gekregen van geboren en getogen Oldenzalers maar wordt overstelpt met reacties van import-Oldenzalers. En dat had alles met de identiteit van de gemeenschap te maken. Ik schreef:
Tips voor nieuwkomers.
- In het begin zijn de Oldenzalers stug en gesloten. Ze houden niet van mensen die nieuw en anders zijn. Ze zullen je buiten sluiten en dat los je alleen op door mee te doen.
- Kijk niet vreemd als mensen je zomaar aanstaren. Doe als de Oldenzalers; niet reageren en gewoon doorgaan met wat je aan het doen bent, al voel je je nog zo rot.
- Hou zo lang mogelijk je mond dicht, want dan weten ze niet dat je niet van hier bent.
- Aanpassen is ‘het’ sleutelwoord. Zolang je je niet aanpast hoor je er niet bij.
- KWW (Kiek’n wat’ wordt) is de vuistregel. Oldenzalers hebben meer tijd nodig om iets te beslissen want ze zijn bedachtzaam. Daardoor kan het begin hier echt heel eenzaam zijn, maar heb geduld.
- Er zijn hier veel verenigingen en clubs. Pas vanaf het moment dat je actief gaat deelnemen aan deze groepen wordt je deel van de gemeenschap.
- Hang vooral niet de wijze wereldse stadse uit die zichzelf anders vindt, want dan leer je absoluut de Oldenzalers niet kennen.
- Een meningsverschil meteen uitpraten en zand erover is hier geen gewoonte.
- Houd je aan je ‘noaborplicht’ ofwel burenhulp. Dit houdt o.a. in dat je elkaars sleutel hebt zodat bijvoorbeeld de planten bij afwezigheid toch water krijgen.
- Oldenzalers houden iedereen erg goed in de gaten en houden van praten. Die twee samen kunnen leiden tot roddel en achterklap. Het slimste is daar zo snel mogelijk aan mee te doen.
- Zorg dat je tuin minstens zo netjes is als die van je buurman.
- Oldenzalers helpen vooral andere Oldenzalers. Dus maak zo min mogelijk gebruik van bedrijven uit de regio. Liever iets duurder maar uit Oldenzaal dan uit een andere gemeente.
- Er heerst een no-nonsense mentaliteit maar tijdens het carnaval hang je de beest uit.
- Oldenzalers zijn langzaam, behalve als ze auto rijden.
- Ga vooral niet aan jezelf twijfelen en denken dat je gek, stom of lelijk bent want zo doen ze nou eenmaal tegen iedereen die nieuw is.
Alles wat ik had geschreven was letterlijk overgenomen uit brieven of gesprekken. Ik kreeg hierop veel reacties. Eindelijk begon ook de ‘echte’ Oldenzaler zich te roeren. Niet per e-mail of per brief maar in het roddelcircuit, zodat ik er niet op kon reageren.
Hoe gaat dat in andere kleine steden in de wereld? Is het niet overal hetzelfde en heeft niet iedere gemeenschap een bepaalde afstandelijkheid tot een nieuwkomer? Ja, dat geloof ik wel. Maar het gedrag van de ‘echte’ Oldenzaler wil ik toch eerder vergelijken met een reactie van iemand uit een gesloten gemeenschap zoals een eiland. En Oldenzaal is geen eiland. Oldenzaal zegt juist trots te zijn op haar status als Hanzestad. Een stad dus waar handel wordt gedreven, een plek van ontmoetingen. Waarom vertoont men dan hier dat gedrag? Is het dan toch de vergeten uithoek waar het zich bevindt?
Bij bijna elk gesprek dat ik had, vroeg ik of men mij een woord kon geven om Oldenzaal te typeren. De woorden die het meest vielen waren: KLEIN, VEILIG, SAAI, DEGELIJK en BOURGONDISCH.
KLEIN. Ja, Oldenzaal is klein. Dat weten we allemaal. In de staatscourant van maart dit jaar stond, 31.800 inwoners op 21,95 km². Toch heeft Oldenzaal een eigen theater, een basiliek, een uitgaanscentrum en zelfs twee shopping-malls. Het theater leidt voor zover ik heb begrepen alleen maar tot allerlei conflicten, de winkelcentra deden dat in het verleden en de Plechelmus, ja, de heilige Plechelmus – daarover straks meer.
VEILIG. Ik tel even de autoradio die hier uit mijn auto is gejat niet mee. Maar het is waar, Oldenzaal voelt veilig. Je hebt namelijk altijd het idee dat iedereen kijkt wat je doet. De sociale controle is groot, daar is, voor zover ik heb begrepen, iedereen het over eens.
SAAI. Daarover verschillen de meningen zeer. De een zit in tien verschillende verenigen en vermaakt zich uitstekend, de ander mist een groter uitgaans- en cultureel leven – maar dat is eigen aan een kleine gemeenschap.
DEGELIJK. Ook dat woord viel diverse keren. ‘Wij zijn nog degelijk’ of ‘ze zijn zo degelijk’. Maar ik kan dat moeilijk rijmen met de andere karakteristiek:
BOURGONDISCH. Ik denk eigenlijk dat men zich hier vergist – in de maand dat ik hier was heb ik niets ervaren als Bourgondisch, geen uitspattingen, geen overvloedigheid. En je kunt de inwoners van een gemeenschap niet beoordelen op drie dagen carnaval. Want dat is wel een uitbundig feest maar heeft niets te maken met het Bourgondische.
Mijn zoektocht naar de zelfkant ging door, want is het niet de uitzondering die de regel bevestigt? Ik wilde onder de degelijke deken kruipen die over Oldenzaal heen hing. Maar ik kan u zeggen, dat was niet gemakkelijk.
Ik maakte noties van alles wat mij overkwam en wat ik zag. Veel ervan kwam nooit terecht in een column. Na drie weken in Oldenzaal te zijn geweest schreef ik in mijn aantekenboekje het volgende:
‘Oldenzaal is eigenlijk heel erg ouderwets. Oldenzaal is geen stad voor individualisten. Er zijn heel veel kliekjes en de gemeenschap schijnt dat te stimuleren. Er zijn strenge normen en waarden, die door middel van de sociale controle goed in de hand worden gehouden. Voornamelijk de jongere generaties springen eens per jaar uit de band, tijdens het carnaval. Door het jaar heen gedraagt men zich en kijkt van een afstandje toe. Het lijkt wel of ze niets te maken willen hebben met lelijke en slechte dingen. Die lijken niet in deze gemeenschap thuis te horen. Hier is geen plek voor uitzonderingen en onaangepaste mensen. Als je kind naar een school met speciaal onderwijs moet is hij ‘gek’. Loverboys vinden dit een aantrekkelijk gebied omdat de meisjes hier zo vreselijk naïef zijn.
Het kwaad moet buiten de deur blijven. Je leeft en werkt om geaccepteerd te worden. Als je het iets anders doet dan de heersende norm van je verwacht ben je vreemd. Dit wordt niet uitgesproken maar je voelt het wel. Eigen huis, vaste baan, liefst twee auto’s, sparen en trouwen. In de maat lopen, en als je je daaraan houdt, heb je het hier heel prettig. Alles moet positief benaderd worden en je hangt je vuile was nooit buiten. Doe maar normaal dan doe je al gek genoeg, had in het wapen moeten staan.
De jongens van de krant vinden het ook moeilijk dat ze nooit echt kritiek mogen geven, want dan beledigen ze de gemeenschap. Geen kritiek – geen negativiteit, dat lijkt hier de wet, anders komen er boze ingezonden brieven, met als voornaamste boodschap dat ze het positief moeten zien. Het lijkt of hier geen slechte of foute dingen mogen gebeuren. Waarom moet alles positief zijn? Wordt hier iets verborgen? Ik word er doodmoe van dat er de hele tijd maar wordt gezegd dat alles zo leuk en aardig is. Ik heb dat met mijn vorige onderzoeken nooit meegemaakt. Ik geloof het gewoon niet. Mensen zijn eerst heel afstandelijk naar mij en dan krijg ik steeds de boodschap dat ik meer positief moet zijn, én als ik dan zeg dat ik niet ben ingehuurd ben door ‘promotieteam Oldenzaal’, gaan ze op mijn gevoel inspelen. Met woorden als: ‘Ach joh, zo slecht zijn we toch niet?’ Maar ik schrijf niets negatiefs. Ik schrijf alleen eerlijk over wat ik zie en hoor. Promoten heeft geen zin want dit is een lokale krant, het is herfst en toeristen zijn er niet, alleen jullie, moet ik Oldenzaal aan Oldenzalers gaan promoten?’ schreef ik wanhopig in mijn aantekenschrift, ‘want als dat zo is, is hier echt iets mis. Het lijkt of Oldenzaal mij een wereld wil tonen die gelijk is aan het walhalla, maar daarvoor moet je je wel aanpassen en moet je niet anders zijn. Oldenzaal, de glimlach van Twente! Een clown heeft altijd een glimlach maar wanneer hij zijn neus en schmink afdoet blijkt daaronder vaak een verdrietig gezicht te zitten. Heeft Oldenzaal dat ook? Loopt hier iedereen met een masker en gaat dat masker eens per jaar af? Als het carnaval is en de travestieten kunnen travesteren, de alcoholisten openlijk dronken mogen zijn, de ongelukkige kunnen huilen en ieder zijn armen om de taille van de vrouw van een ander kan slaan?”
Waar komt toch dat heftige verlangen vandaan bij zo veel inwoners om hun stad te promoten? Is dat omdat de ondernemers hier zo machtig zijn? Ik schreef in mijn column op 20 november 2003: ‘Oldenzaalse ondernemers hebben een bijna hermetisch gesloten circuit, waarbinnen iedereen elkaar constant de bal toespeelt. Grote delen van de lobby vinden plaats tijdens club- en verenigingavonden. Als je als jonge ondernemer hebt besloten in dit stadje je handel kwijt te raken, kun je maar beter proberen direct lid te worden van Quick-tennis en/of de Kadolstermennekes – want daar wordt het allemaal geregeld. Er zijn mensen die daar niet van houden en het op eigen kracht proberen. De meeste van hen staan binnen een jaar hun boeltje weer te pakken... Een enkeling lukt het maar je moet wel héél erg graag willen, ongelóóflijk veel vertrouwen in jezelf én je spaarpot hebben en onverschrokken doorzetten om hier als buitenstaander een pinknageltje tussen de deur te krijgen... Oldenzaal duldt geen buitenstaanders. Hoeveel stadsrechten ze ook heeft, ze gedraagt zich als het dorp dat in iedere vreemdeling een vijand ziet.
De Verenigde Staten van Amerika is ook een land waar de ondernemersgeest de drijfveer van de samenleving is. Geld = macht. Ook de Amerikanen hebben er een handje van de bal alleen toe te spelen aan wie er in hun kringetje thuishoort. In hoeverre kunnen we de ‘Werknemers-Groepering’ vergelijken met de Unions (de bonden) in Amerika? Het is erg moeilijk om binnen te komen in Amerika, maar áls je binnen bent – lees: genoeg geld hebt – word je geaccepteerd. Behalve wanneer je een baard en een djellaba draagt. Ook de VS promoot zich als geen ander en beweert dat het de beste en veiligste plek op aarde is. Ook de VS verweert zich tegen ieder die die veiligheid aanvalt of zelfs maar in twijfel trekt. De VS is een paradijs volgens zeer velen. In de VS werd de shit duidelijk na de orkaan Katerina. Alle ellende kwam boven drijven. De verzwegen getto’s konden niet meer worden verborgen. De armoede, de sociale ongelijkheid en het racisme.
Oldenzaal ligt niet aan een rivier die kan overstromen. Het ligt zelfs zo ver van de kust en boven het zeeniveau dat het, ook bij de snel rijzende zeespiegel, waarschijnlijk na eeuwen nog steeds zal bestaan. Maar wat zou hier gebeuren als de Randstad werd verzwolgen door het water en er karavanen hopeloze mensen deze kant zouden optrekken? Zouden de Oldenzalers hun huizen dan openstellen, of zouden ze spijt hebben dat de stadsmuren zijn gesloopt en moeten we allemaal nog even doorlopen – naar Duitsland en Polen?
Halverwege mijn verblijf in Oldenzaal moest ik plotseling terug naar Amsterdam voor een begrafenis. Ik weet nog dat ik schrok toen ik Amsterdam kwam binnenrijden. Het zwerfvuil, de junks tussen de geparkeerde auto’s voor mijn huis, de bedelaars bij de Albert Heyn, het Surinaamse stel dat stond te vozen tegen mijn deur, de Marokkaan met zijn gesluierde vrouw achter een boodschappenwagentje, de opgetutte flikker die zelfs in de herfst nog op skeelers en in een tangaslip rondrijdt, het meisje met haar gezicht zwaar van de piercings... Waarom hadden wij in Amsterdam zo veel ‘gekke’ mensen? Net zoals er in New York, Mexico City, Johannesburg of Londen veel onaangepaste mensen rondlopen? Waren wij, de grote steden, genoodzaakt ze op te nemen omdat ze ergens anders, ergens waar het veilig was, paradijselijk en degelijk, niet welkom waren? Ik begreep opeens niet meer hoe mensen trots konden zijn op een stad die niet open was en waar iedere nieuweling met tegenzin werd benaderd. Het enige wat ik kon concluderen was dat Oldenzaal geen Hanzestad was, maar een dorp met kleinsteedse gewoonten. Er waren meer dingen die daarop wezen. Hoe was de macht verdeeld in Oldenzaal? Mijn kennis is van twee jaar geleden maar ik neem aan dat er niet veel veranderd is. De macht ligt in handen van een paar grote ondernemers. Ik hoef u de namen niet te noemen. U weet over wie ik het heb. Want, zo zei men mij: niemand klopt tevergeefs aan die deur. Deze grote ondernemers financieren een heel groot deel van het verenigingsleven, en bij voorbeeld ook het theater. Wat zegt dat, behalve dat het gemakkelijk is, je geen hoge contributie hoeft te betalen of subsidies aan te vragen. Wat betekent het? Het betekent dat je, als je hier iets voor elkaar wilt krijgen, moet lobbyen en fêteren. Dat gaat hier ook gemakkelijk, de lobby-lijnen zijn kort want iedereen kent elkaar. En fêteren gebeurt dagelijks op allerlei niveaus. Dit is misschien wat men verwart met een Bourgondische mentaliteit. Dit lobby-gedrag is zo geaccepteerd en gewoon dat veel mensen niet eens meer beseffen dat ze het doen. Ik heb het, in de tijd dat ik hier was, aan den lijve meegemaakt. Ik werd overstroomd met uitnodigingen van allerlei aard en veel ervan waren bedoeld om mij voor een karretje te spannen. Vele ook niet. Maar het lobby- en fêteergedrag vormen de basis waarop hier veel draait en zorgen voor een minder wispelturige samenleving als wanneer je afhankelijk bent van een steeds veranderende democratische politiek. Dit alles is, denk ik, een van de belangrijkste oorzaken dat er in Oldenzaal een patriarchale hiërarchische structuur heerst. En die versterkt het gesloten karakter van Oldenzaal. Ook als je kijkt naar de structuur van de zo belangrijke carnavalsverenigingen zie je hetzelfde. Bovenaan staan ‘de Heren’ en daaronder ‘het volk’, dat als het hard werkt voor de vereniging kan rekenen op waardering door middel van pluimen, medailles en zilveren speldjes. Die op zijn beurt de hiërarchie weer bevestigen en versterken. Officieel wisselt de macht elk jaar, net als het gemeentebestuur elke vier jaar, maar officieus is dat niet zo. Is het niet zo dat het verkozen worden tot Prins Carnaval de manier is om bij die top te gaan horen? Volgens mij is Oldenzaal een oligarchisch mannenbolwerk, van voornamelijk ondernemers. En daar zit ’m waarschijnlijk de clou waarom alles positief moet lijken: kapitaalkrachtige mannen die een ideaal dorp willen besturen, een lego-stadje. Want, en dit heb ik uit de tweede hand, de burgemeester heeft hier minder te zeggen dan hij zou willen. De koningen beslissen en, dit heb ik uit de eerste hand, als je het er als ‘onderdaan’ niet mee eens bent kun je kiezen, je bek houden of vertrekken. En eens per jaar mag dan het volk weer, georganiseerd, de ‘adel’ te kakken zetten en als de kater voorbij is gaat alles weer gewoon door. Dan zijn er geen individuen meer en wordt er geen kop meer uitgestoken want als je dat in de rest van het jaar doet wordt die er genadeloos afgehakt. Is dat misschien ook de reden waarom er geen beroemde Oldenzalers zijn behalve Ellen van Langen? Maar die is dan ook heel hard weggerend.
Waarom is het ingenieuze netwerk van verenigingen en clubs vol vrijwilligers die van alles doen en waarop de samenleving draait zo fijn? Het is veilig. Wil niet elke samenleving dat zijn? Ja, ik denk het wel.
Maar wat houdt deze Oldenzalers samen? En nu komt de Plechelmus terug. Ik denk dat de bijna hysterische connotaties die deze toren ten deel valt gemanipuleerd zijn. Wat is beter dan samen trots zijn op een katholieke toren die als een standvastig fallussymbool veilig uittorent boven het volk? Als u tomaten heeft mag u nu beginnen te gooien. Maar een Oldenzaler gooit niet, die roddelt en wacht tot de luis in de pels weer vertrekt. Krabt even achter zijn oor, zucht en pakt een biertje.
Toen ik de Plechelmustoren met een fallus vergeleek, deed ik dat met een reden. Ik moest iets verzinnen om de tongen los te krijgen en meer te weten komen over de identiteit van Oldenzaal. Net zoals ik u nu probeer te provoceren tot een reactie. Na de fallus-column was het kwaad snel geschied. Oldenzaal splitste zich in tweeën. We kregen de pro-threzen en de anti-tresen. De eerste schreven mijn naam met een h, de tweede zonder. Ik kan u toch niet onthouden dat ik, dit verhaal over de pro- en anti-threzen, aan een vriendin heb verteld die filmscript-schrijfster is. Zij heeft het verhaal gebruikt als thema voor een film die momenteel in de race is voor subsidie, en aangezien ik niet denk dat een van de koningen hier die film wil financieren is ook zij, net als de rest van Nederland, afhankelijk van de willekeur van subsidiënten. Toch vond/vindt niet iedereen het regenteske systeem, dat door de meerderheid lijkt te worden gesteund, prettig.
Het kostte me moeite en duurde even, maar natuurlijk heb ik ze gevonden, de andere plekken van Oldenzaal. Huizen, kleine kroegen en vergeten gebouwtjes waar mensen samenkomen omdat ze anders zijn. Omdat ze zich niet willen aanpassen, of konden aanpassen. Sommige van deze vrije denkers trokken zich inderdaad niets aan van de roddel en achterklap, anderen hadden er wel last van en sloten zich op achter dikke gordijnen en gesloten deuren, leefden in hun eigen wereld, die niets met Oldenzaal te maken had. Sommigen waren eenzaam en wisten niet hoe ze eruit moesten komen, anderen verkozen die eenzaamheid. Maar véél van deze onaangepaste mensen vond ik hier niet.
Ik ben niet gevraagd om kritiek op Oldenzaal te geven of de conclusies van mijn onderzoek met u te delen. Ik ben gevraagd om Oldenzaal en zijn inwoners te vergelijken met de andere wereldburgers.
Is het niet zo dat de Oldenzalers, net als de meeste mensen op aarde, kiezen voor een vredige, veilige samenleving met zo min mogelijk veranderingen? Want verandering betekent onrust. En onrust is nou net wat de meeste mensen niet willen. Niet in Oldenzaal, niet in Tiel, niet in Den Helder of Weert. Niet in Parijs, Islamabad, Amman, Ramallah, New Orleans, Soweto of Bagdad.
Maar hoe is het Oldenzaal gelukt, wat op zo veel plekken op de wereld niet is gelukt, een kleine harmonische samenleving te vormen zonder veel echt gevaar? Is dat omdat de overgrote meerderheid van de bevolking eensgezind en solidair is? Of is het omdat het in een vergeten uithoek ver van het bedreigende water ligt, er geen aardbevingen, droogte of armoede heersen? Is het omdat de stadsmuren nog steeds bestaan, al zien we ze niet? Ik weet het niet. Ik laat het verder aan u. Ik kan u alleen maar zeggen dat ik op mijn manier uw stadje goed heb bestudeerd en genoeg materiaal heb verzameld om er een roman over te schrijven. Als u mijn werk blijft volgen zult u vast stukken van uw stadje herkennen in verhalen die niet over Oldenzaal lijken te gaan.
Ik zei u in het begin al, als de observatie voorbij is neemt mijn fantasie het over. Toen ik twee jaar geleden werd benaderd om hier onderzoek te doen heb ik de opdracht aangenomen omdat ik vond dat ik eigenlijk te weinig van mijn eigen land wist. Ik ben opgegroeid in de Randstad en heb mijn leven voornamelijk in grotere steden gewoond. Soms voor langere soms voor kortere tijd. In een dorp kwam ik alleen met vakanties. Ik kwam hier dus om te leren. En ik heb van u geleerd. Over Nederland, over Twente, maar speciaal over Oldenzaal. Want, sinds ik hier ben geweest heb ik de behoefte elk stadje te vergelijken met Oldenzaal. Hé, kijk, zeg ik dan tegen mijn vriend, het lijkt Oldenzaal wel, en dan wijs ik naar een rijtje nette kleine huisjes met een grote boom ernaast waarin een vergeten paarse ballon hangt die niet meer kan wegvliegen omdat het touwtje verward is geraakt in de takken.
15 november 2005 voorgedragen in de bibliotheek van oldenzaal
15 November 2005
